| | | Hélène Serafia (Hella S.) Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië, als dochter van de pianiste Katherina Diehm-Winzenhöhler en Willem Hendrik Haasse, inspecteur van financiën bij het Gouvernement. Hella Haasse bracht haar gehele jeugd door in Nederlands-Indië. Zij doorliep er de lagere school en het gymnasium. Tussen 1924 en 1928 woonde zij, met haar broertje, in Nederland bij haar grootouders, omdat haar moeder voor enige tijd moest kuren in een sanatorium in Davos. In de eerste jaren na haar terugkomst in Indië ontwikkelde Hella Haasse twee passies: lezen en toneelspelen. Zij schreef toneelteksten, die zij door de buurtkinderen liet uitvoeren en las stapels historische romans uit haar vaders boekenkast: onder andere Hugo, Scott en Van Lennep. Zelfs schrijft zij op haar elfde jaar haar eerste historische roman. Op het gymnasium kreeg zij belangstelling voor middeleeuwse en antieke mythen en sagen en voor Nederlandse literatuur, vooral poëzie.
In 1938 vertrok Hella Haasse naar Nederland om te gaan studeren. Gedreven door haar belangstelling voor de Oudnoorse Sagaliteratuur, begon zij aan de studie Scandinavische taal- en letterkunde. Na een jaar, toen haar duidelijk werd dat de bezetter eenzelfde voorliefde voor Scandinavische en Germaanse heldensagen aanwendde voor racistische en propagandistische doeleinden, brak zij haar studie af.
Troost werd gezocht in de kunst. In 1940 meldde zij zich aan bij de toneelschool. Toneelspelen vormde voor haar, achteraf bezien, de voedingsbodem voor het schrijven van romans. In een interview met Ischa Meijer zegt zij hierover: 'Het creëren van personages in mijn werk is een soort naar binnen gekeerd toneelspelen. [...] Ik moet ze op een of andere wijze zijn en ik ben ze ook enigszins – want anders zou ik ze niet kunnen maken. Zo ontstaat er een zeker totaaltheater. Ik bouw de decors, ik regisseer, ik acteer. Innerlijk toneel.'
Lang zou het niet duren voordat de theatrale neiging bij Hella Haasse 'naar binnen zou slaan'. Zij schreef haar eerste gedichten, die in 1945 gebundeld zouden worden in haar poëziedebuut Stroomversnelling. In 1943 deed zij eindexamen aan de toneelschool; al in 1944 beëindigde zij haar toneelloopbaan. In dat jaar trouwde Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die zij in 1939 had leren kennen als redacteur van Propria Cures. (Zelf zat zij in 1939 korte tijd in de redactie van het blad.)
Vanaf 1944 wijdde Hella Haasse zich onafgebroken aan het schrijven. Aanvankelijk schreef zij, naast enige poëzie, toneel- en cabaretteksten, na enkele jaren vrijwel alleen proza. Haar prozadebuut Kleren maken de vrouw, geschreven in opdracht voor een serie boeken over beroepskeuze, trok weinig aandacht. Voor een doorbraak zorgde de novelle Oeroeg. Met dat boek won Hella Haasse de novelle-prijsvraag die de CPNB in 1948 uitschreef; de bekroonde novelle werd dat jaar het Boekenweekgeschenk.
Sinds de verschijning van Oeroeg, dat decennialang op eindexamenlijsten Nederlands van scholieren prijkte en in 1993 werd verfilmd onder regie van Hans Hylkema, is Haasse een veelgelezen en hooglijk gewaardeerd auteur. Aan haar werk werden verscheidene literaire prijzen toegekend: in 1958 de Nationale Atlantische prijs voor De ingewijden; in 1960 de Internationale Atlantische prijs voor dezelfde roman; in 1962 de Visser Neerlandiaprijs voor het toneelstuk Een draad in het donker; in 1977 de Litteraire Witte Prijs voor Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven. Zij ontving in 1981 de Constantijn Huygensprijs, in 1984 de P.C. Hooftprijs, in 1985 de dr. J.P. van Praagprijs, en in 2004 de Prijs der Nederlandse Letteren – de laatste vier onderscheidingen voor haar gehele oeuvre.
De roman Heren van de thee werd in 1993 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en door de Raad voor de Kunst voorgedragen voor de Europese Literatuurprijs. In 1993 ontving zij de Publieksprijs voor dezelfde roman; het was het door een breed publiek hoogst gewaardeerde boek van 1992.
In 1981 verhuisde Hella Haasse met haar man naar Frankrijk. Zij vestigden zich in St. Witz, een plaatsje ten noorden van Parijs, waar zij bijna tien jaar bleven wonen. Daar, in afzondering, schreef Hella Haasse de romans die een tweede 'doorbraak' teweegbrachten. Met haar documentair-historische romans, gebaseerd op bestaande documenten en getuigenissen, waarvan de grote 'Indische' historische roman Heren van de thee (1992) voorlopig de laatste is, bereikte haar werk een zeer groot publiek.
|
|
|
|  |
| | Na dertig jaar lang beschouwd te zijn geweest als een talentvol verteller, vooral de schrijfster van Oeroeg, krijgt zij nu alom erkenning als een van de grootste nog levende Nederlandse auteurs. Na 1980 regent het voor de schrijfster erefuncties en gastdocentschappen. Zo was zij in 1986/1987 gasthoogleraar Letteren aan de Katholieke Universiteit Brabant, sinds 1987 is zij erelid van de Belgische Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent, sinds 1988 heeft zij een eredoctoraat in de Letteren aan de Rijksuniversiteit Utrecht, in 1991 werd zij erelid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden en in 1992 doceerde zij als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Leiden. Ook ontving zij in 1992 van koningin Beatrix de Eremedaille in Goud voor Kunst en Wetenschap in de Huisorde van Oranje. In 1995 kreeg Haasse van het Franse Ministerie van Cultuur de onderscheiding Officier dans l’Ordre des Arts et des Lettres, vervolgens Commandeur; en in 2000 werd zij benoemd tot Officier dans l’Ordre de la legion honneur – een eer die slechts weinig Nederlandse schrijvers krijgen.. Waardering valt Haasse niet alleen in eigen land ten deel. Vele van haar romans werden vertaald, Oeroeg en Het woud der verwachting het meest, onder andere in het Frans, Duits, Engels, Italiaans, Spaans, Welsh, Maleis en Hongaars. Een van haar eerste boeken, de omvangrijke, klassieke historische roman Het woud der verwachting, over het leven van Charles d 'Orléans, verschenen in 1949, bracht haar in 1989 internationale roem. De Amerikaanse vertaling, In a Dark Wood Wandering, ook in een Engelse editie verschenen, was een groot succes en bereikte hoge oplagen. De auteur werd in de Engelse en Amerikaanse pers zeer geprezen, en in veel talen verschenen nieuwe edities van het boek. Naar aanleiding van de succesvolle Franse vertaling werden de gedichten van Charles d'Orléans opnieuw uitgegeven.
In 1990 keerden Hella Haasse en haar echtgenoot terug naar Amsterdam. Ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de schrijfster wijdde het Letterkundig Museum in Den Haag een grote tentoonstelling aan haar veelzijdige oeuvre en haarkleurrijke leven. Voor de Boekenweek 1994 schreef zij het Boekenweekgeschenk, Transit, een novelle. Van haar laatste roman (Sleuteloog, 2002) werden binnen enkele maanden meer dan 100 000 exemplaren verkocht. Het boek werd bekroond met de NS Publieksprijs 2003. In 2004 verscheen Het dieptelood van de herinnering, een verzameling eerder gepubliceerde autobiografische geschriften.
In november 2006 verscheen Het tuinhuis, de verzamelde verhalen van Hella S. Haasse. Tegelijkertijd start Uitgeverij Querido met het heruitgeven van haar eerdere werk. Al haar romans zullen in een luxe-editie in het Verzameld werk verschijnen; haar diverse bundels essays en lezingen worden in twee delen ondergebracht (Uitzicht en Inkijk). Zie voor de lijst van titels die tot nu toe verschenen: www.querido.nl. In haar archief vond Hella S. Haasse ‘Sterrenjacht’ terug: een oud feuilleton, dat zij in 1949/1950 voor Het Parool schreef onder het pseudoniem C.J. van der Sevensterre. Het feuilleton is een spannende en hilarische roman zonder literaire pretenties, dat als curiosum in 2007 in boekvorm verscheen. Op 2 februari 2008 vierde Hella S. Haasse haar negentigste verjaardag en werd het Hella Haasse Museum geopend: www.hellahaassemuseum.nl. Dit digitale museum maakt op innovatieve en visueel aantrekkelijke wijze het persoonlijke archief van Hella S. Haasse openbaar. Behalve eigen documenten, zoals familiefoto’s, brieven, dagboekaantekeningen en manuscripten, vertoont het museum ook omslagen van eerste drukken en geluids- en beeldfragmenten.
|
|
|
|